Psychodiagnostisch onderzoek

Intelligentieonderzoek
Het vaststellen van de intelligentie van een kind of jeugdige kan gedaan
worden met behulp van een intelligentietest. Meestal wordt een
intelligentietest afgenomen om na te gaan wat de werkelijke
capaciteiten van het kind of de jeugdige zijn op het gebied van de
intelligentie. Dit kan belangrijke informatie opleveren om een kind
of jeugdige beter te laten functioneren op school of een juiste
benadering of een geschikt schooltype aan te kunnen bieden.
Vooral als een kind niet goed functioneert op school, ofwel op cognitief
gebied ofwel op sociaal of emotioneel gebied kunnen resultaten van een
intelligentietest een goed aanknopingspunt zijn om de problemen op te lossen of te verbeteren.

Bij KIEW wordt gebruik gemaakt van de volgende intelligentietesten:

WISC-III  (Wechsler intelligence scale for children)
De WISC-III is een veel gebruikte intelligentietest voor het meten van de intelligentie bij kinderen van 6 tot en met 16 jaar. De sterke kant van deze test is dat er een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de verbale intelligentie en de praktische intelligentie. Daarnaast kan aan de hand van factoranalyse onder andere worden nagegaan of het kind of de jeugdige schriftelijke informatie snel en accuraat kan verwerken. Ook dit laatste aspect kan relevant zijn voor het schoolse functioneren van het kind.

RAKIT  (revised Amsterdamse kinderintelligentietest) 
De RAKIT is een prettig af te nemen test voor kinderen van 4 tot en 11 jaar. Het voordeel van deze test is de speelse opzet. Zeker voor het meten van de intelligentie bij jonge kinderen is deze test heel geschikt. 

WAIS (Wechsler adult intelligence scale)
De WAIS wordt gebruikt voor intelligentiemeting voor personen vanaf 16 jaar en ouder en is hierdoor geschikt voor het meten van de intelligentie bij jeugdigen. De WAIS is een uitgebreide test, die een objectief beeld geeft van het niveau de cognitieve aanleg en de kwaliteit van de diverse cognitieve functies. Ook bij de WAIS is het mogelijk om aan de hand van factoranalyse een duidelijk beeld van de cognitieve mogelijkheden van de jeugdige in kaart te brengen. Zowel de verbale mogelijkheden als de praktische mogelijkheden worden in kaart gebracht als ook het werkgeheugen en de verwerkingsnelheid. De resultaten bij de WAIS kunnen als indicatie dienen voor bijvoorbeeld een schoolkeuze of studierichting.

SON (Snijders Oomen non-verbale intelligentietest)
De SON is een intelligentietest voor kinderen en jeugdigen van 5,5 tot 17 jaar. Via de SON meet men de non-verbale intelligentie. Dit zijn onder andere functies als ruimtelijk-analytisch inzicht, de visuele waarneming, de oog-hand-coördinatie, logisch en talig redeneren aan de hand van visueel materiaal, visuele detailwaarneming vanuit het dimensionale vlak.
De SON wordt gebruikt als er aanwijzingen zijn dat een kind of jeugdige bij deze functies een sterke aanleg heeft. Het afnemen van de SON kan dan gedaan worden in het kader voor hoogbegaafdheidonderzoek. Daarnaast kan het meten van de non-verbale vaardigheden een uitkomst zijn bij kinderen, die vanwege allerlei redenen talig niet sterk zijn.       

Observaties tijdens het afnemen van een intelligentietest
Naast het meten van de intelligentie kan men tijdens het afnemen een intelligentietest nagaan hoe andere relevante zaken ontwikkeld zijn bij het kind of de jeugdige. Via observaties tijdens het testen kan men nagaan hoe het ervoor staat met zaken als de cognitieve stijl en de werkhouding of zaken die te maken hebben met de persoonlijkheid van het kind of de jeugdige.   

De cognitieve stijl
Bekeken kan worden hoe de cognitieve stijl van het kind of de jeugdige is. Een cognitieve stijl is de manier hoe iemand denkt en met cognitieve taken omgaat.
Enkele cognitieve stijlen zijn:

  • doordacht of impulsief;
  • werkend vanuit ervaring en/of strategie of experimenterend (bij trial and error);
  • geremd of ongeremd;
  • rationeel of gevoelsmatig aangestuurd;
  • doorzettend of snel opgevend;
  • intensief of vluchtig;
  • netjes en precies of nonchalant en slordig. 

Het is relevant om te weten welke cognitieve stijl een kind of jeugdige heeft en of deze stijl een positieve - of negatieve bijdrage levert aan het intellectuele en schoolse functioneren.
Mocht deze stijl het cognitieve functioneren niet in positieve zin ondersteunen dan wordt gekeken hoe het kind of de jeugdige wel een positief ondersteunende cognitieve stijl kan ontwikkelen. 

Werkhouding
De manier waarop een kind werkt is tevens bepalend voor de kwaliteit van de resultaten op school en op intellectueel gebied. Als een kind of jeugdige zich goed kan concentreren en
gemotiveerd en met zelfvertrouwen de leerstof verwerkt zijn dit pluspunten. Het komt regelmatig voor dat werkhoudingsproblematiek een reden is dat een kind of jeugdige minder goed functioneert dan op basis van de cognitieve aanleg mogelijk is en verwacht mag worden. Werkhoudingsproblemen kunnen bestaan uit:  

  • Concentratieproblemen;
  • Motivatieproblemen;
  • Faalangst.

Een kind kan last hebben van een enkelvoudig werkhoudingsprobleem, maar ook kunnen diverse werkhoudingsproblemen tegelijk aan de orde zijn. Een combinatie van werkhoudingsproblemen is lastig en kan het kind of de jeugdige sterk blokkeren in het cognitieve - en schoolse functioneren. Het is dan ook goed om tijdens het afnemen van een  intelligentieonderzoek aan de hand van observaties na te gaan of werkhoudingsproblemen een rol spelen in het cognitieve functioneren van het kind. Als dit het geval is, is het goed om een kind of jeugdige gericht te ondersteunen, te trainen of te stimuleren op de probleempunten. Hierdoor kunnen de prestaties op school verbeteren.
Mochten werkhoudingsproblemen een zodanig blokkerende invloed hebben op het schoolse functioneren dan is het goed om deze problematiek nader in kaart te brengen. Dit kan gedaan worden met behulp van een breed onderzoek. Aan de hand van een breed onderzoek worden zowel de intelligentie als sociaal-emotionele aspecten in kaart gebracht. Hier kan een utgebreide analyse van een werkhoudingsprobleem uit voort komen, wat weer aanleiding geeft tot adviezen ten aanzien van verbetering.  

Persoonlijke eigenschappen
Daarnaast kunnen factoren rond het functioneren van het kind of de jeugdige op sociaal- emotioneel gebied een rol spelen. Bij het afnemen van een intelligentietest komt niet alleen een beeld van de intelligentie, de cognitieve stijl en de werkhouding van het kind naar voren,  maar wordt ook een korte indruk gevormd van persoonlijke aspecten en eigenschappen.
Enkele persoonlijke aspecten, die een negatieve invloed op het cognitieve functioneren van het kind kunnen hebben zijn: onzekerheid, overgevoeligheid, temperament, zelfbepalendheid, koppigheid, speelsheid, ontevredenheid en vermoeidheid. Dit soort zaken kunnen via observaties, korte gesprekjes en gerichte opdrachten naar voren komen. 
Mochten bepaalde aspecten op persoonlijk gebied een negatieve rol spelen in de ontwikkeling en het functioneren van het kind of de jeugdige op cognitief vlak of over het algemeen is het goed om hier nadere aandacht aan te besteden. Met behulp van een sociaal-emotioneel onderzoek (ook wel een persoonlijkheidsonderzoek genoemd) kunnen aspecten op sociaal-emotioneel gebied nader in kaart worden gebracht. De aanbevelingen, voortkomend uit het onderzoek, zijn gericht op het verbeteren van deze aspecten.  

Een sociaal-emotioneel onderzoek
Mocht het zo zijn dat er sprake is van sociaal-emotionele problematiek bij het kind of de jeugdige kan via een psychodiagnostisch onderzoek in kaart worden gebracht wat de reden van de problematiek is en wat er aan gedaan kan worden. Het afnemen van een psychodiagnostisch onderzoek is mogelijk vanaf een leeftijd van vier jaar. De onderzoeksmiddelen die hiervoor worden gebruikt worden geselecteerd aan de hand van de leeftijd van het kind en de problematiek. Enkele onderzoeksmiddelen zijn: observatie, spel, gesprekken, interviews, vragenlijsten, projectiemateriaal en het maken van tekeningen.  Zowel emotionele problemen als gedragsproblemen kunnen een blokkerende rol spelen in het cognitieve functioneren of algemene functioneren van het kind of de jeugdige. Het kan hierbij gaan om een scala van problemen, die enkelvoudig of gecombineerd aan de orde kunnen zijn. Bij het onderdeel ‘begeleiding’ van deze website is een overzicht van veelvoorkomende sociaal-emotionele problematiek van kinderen en jeugdigen toegevoegd, waarvoor men eventueel ook zonder onderzoek terecht kan. De adviezen, voortkomend uit het sociaal-emotionele onderzoek, zijn gericht op de thuissituatie en/of de schoolsituatie en hebben het doel de ontwikkeling van het kind of de jeugdige op sociaal-emotioneel gebied optimaliseren.    

Een breed onderzoek
Ook is het mogelijk om het functioneren van het kind of de jeugdige in kaart te brengen met behulp van een breed onderzoek. Bij dit onderzoek wordt zowel de intelligentie als het sociaal-emotioneel functioneren van het kind of de jeugdige onderzocht.

Betrokkenheid van de school en de leerkracht
Als de vraagstelling en problematiek van het kind of de jeugdige te maken heeft met het functioneren van het kind op school of de schoolsituatie is het nodig om de school bij het onderzoek te betrekken. Aan de hand van een standaardvragenlijst krijgen de leerkracht of  andere betrokkenen, die goed op de hoogte zijn van het functioneren van het kind of de jeugdige op school, de gelegenheid om informatie aan te leveren, relevant voor het onderzoek. Doordat de school betrokken wordt bij het onderzoek is het mogelijk om adviezen terug te koppelen aan de school.
Mochten ouders een onderzoek willen zonder dat de school hierbij betrokken wordt kan dit ook. Het kan zijn dat de vraagstelling geen relatie heeft met het schoolse functioneren van het kind of de jeugdige.

Ook kan het zijn dat de ouders vanwege allerlei andere redenen behoefte hebben aan een onderzoek zonder de school hierbij te betrekken. Adviezen betrekking hebbende op de school kunnen dan niet gegeven worden, andere adviezen wel.     

Intakegesprek
Voordat besloten wordt om een onderzoek af te nemen vindt eerst een intakegesprek plaats. In dit gesprek neemt de orthopedagoog samen met de ouders of de leerkracht door, aan de hand van de vantevoren ingevulde informatielijsten, welk type onderzoek het beste gedaan kan worden.